Het Abel Tasman National Park is een prachtig natuurgebied dat je te voet goed kunt verkennen maar door hevige regenval, drie weken geleden, zijn er diverse aardverschuivingen geweest. Daardoor zijn hele stukken pad verdwenen. Je kunt nog steeds stukken lopen maar moet je dan met de watertaxi af laten zetten en ophalen op plekken waar het wel kan. Dat is een heel gepuzzel want je moet van tevoren al de watertaxi bestellen. Dus je moet een idee hebben hoe lang je ergens over loopt en je bent afhankelijk van het getij. Ik heb geen idee hoe lang ik ergens over loop, dus ik heb het risico niet genomen.
In plaats daarvan ging ik een hele dag op tour met een bootje, waarmee we een groot deel van de kust en de baaien verkenden. Jared, die verdraaid veel op Tom Cruise leek, was onze schipper. Hij wist de mooie plekjes en had veel kennis over de dieren en planten ter plekke.
We waren nog maar net de zee op of we zagen al een paar blue pinguïns. Het zijn maar kleine beestjes, dus je moet goede ogen hebben om ze te ontdekken. Gelukkig was het redelijk rustig weer waardoor het water niet zo woelig was.
Al gauw zagen we meer soorten vogels op het water. Dat wijst soms op dolfijnen, want ze volgen de dolfijnen die vissen opjagen. En ja hoor: 3 Hector Dolfijnen waren aan het jagen. Bijna onmogelijk om ze op de foto te krijgen. Je bent altijd te laat als je afdrukt… Hieronder het ‘beste’ resultaat:
Een goede indicator was de aanwezigheid van Jan van Genten. Prachtige vogels. Ik ga later deze reis nog naar een kolonie op het Noordereiland. Maar hier zwemmen en vliegen ze dus ook.
De kust van het park bestaat uit graniet. Je zou denken: dat is keihard, maar de soort die hier voorkomt is niet keihard en solide. Het is opgebouwd uit lagen en hebben tussenliggende lagen met kwarts. Dat maakt het graniet erg kwetsbaar. Het splijt heel gemakkelijk. Daardoor vallen er regelmatig grote rechthoekige blokken van de granieten wand naar beneden. Door eeuwen erosie worden deze zogenaamde boulders steeds meer rond. Onderstaande boulder, Split Apple Rock geheten, wordt door vrijwel iedere toerist in het park gefotografeerd. Dus ook door mij.
Het zand in de baaien van het park is nogal rood van kleur. Dit komt door het ijzergehalte dat door de rivieren wordt meegevierd.
Door jaren van overbevissing is in de Tasman Bay weinig vis meer te vinden. De bodem van de zee is hier ook helemaal verpest door de manier van vissen: met sleepnetten over de bodem. Daarmee werden bepaald soorten schelpdieren gevangen, maar er kwam allemaal bijvangst mee, zoals sponzen, die teruggegooid werden. Maar die overleefden dit niet. Dus was er een enorme kaalslag van de bodem waardoor er weinig onderwaterleven meer is. Sinds 30 jaar is nu een deel van de kust van het Abel Tasman Park aangewezen als zeereservaat. Daar mag niet gevist worden en je mag er ook niets van meenemen, zoals schelpen van het strand. Na dertig jaar is er enig herstel, maar het stelt nog nauwelijks wat voor bij wat er geweest is. Dat herstellen duurt nog veel langer en het is nog maar de vraag wat er nog mogelijk is omdat de bodem helemaal kapot is.
Gelukkig zijn er nog mooie plekjes waar je nog wel zeehonden vind. Zij leven met name van octopussen. Jared wist een mooi baaitje dat dienst doet als zeehonden kinderopvang. Daar legden we de boot stil om te gaan lunchen. De vele aanwezige jongen zeehonden werden nieuwsgierig naar ons en dartelden om ons heen. Ze zijn zo gracieus in het water en omdat ze nog jong zijn, zijn ze ook heel speels. Vroeger werd er op ze gejaagd vanwege hun pels. In die tijd zou een zeehond nooit in je buurt komen. Maar inmiddels wordt er al jaren niet meer op ze gejaagd en zijn ze niet bang meer voor mensen. Een fantastische ervaring!
(Deze hierboven vind ik zo grappig: kiekeboe vanonder zijn flipper)
Even later zagen we in een andere baai ook nog een paar grote roggen. Over een maand zwemmen er hier met gemak 100 rond. Ze gaan vooral naar de kust om aan de orka’s te ontkomen. Die vangen de roggen en eten alleen de lever van de rog op. De rest laten ze liggen. Als de orka’s de rog gaan vangen, komen ze op hun rug aanzwemmen, grijpen de rog van de bodem en draaien dan snel om. Als een rog namelijk op zijn rug ligt wordt hij een soort van verlamd. En dat wil de orka graag, om te voorkomen dat de rog met de giftige stekel naar zijn hoofd en ogen gaat slaan.
We dronken nog een kop thee ergens aan land in een baai. En natuurlijk kwam de Weka er binnen no time bij. Het zijn echte scharrelaars die zonder blikken of blozen je picknickmand leeg roven.
Langs deze kust leefden Maori-stammen sinds ongeveer 1600. Ze leefden al veel langer op het Noordereiland, dat veel vruchtbaarder is. Maar rond 1350 kwamen ze ook in de regio van Marlborough. Daar leefden ze zo’n 300 jaar voordat een deel van hen verder trok naar dit deel van de kust. (Ze waren dus maar 40 jaar eerder dan Abel Tasman in dit deel van NZ!). In kleine gemeenschappen die een Pa heten, (soms maar 2 families), leefden ze hoog op de kust. Daar hadden ze goed zicht op mogelijke vijanden, die alleen vanaf zee konden komen. Als er onraad was ontstaken ze vuren om elkaar te waarschuwen. Het waren nogal vechters, ook als stammen onderling! Er zijn nog overblijfselen te vinden van hun woonplekken. Met name bewerkte stenen waar ze hun waka’s (Kano’s) aanlegden.
Al met al weer een mooie dag met mooie belevenissen en nieuwe kennis!
Overigens ontdekte ik vandaag ook dat de vogel die ik de hele tijd bellbird noem een heel ander vogeltje is: de silvereye (Tauhou in Maori taal). Tijd voor een goede vogelgids van NZ! De app BirdNET blijkt hier onbruikbaar. Kennelijk zitten daar alleen Europese vogels in.
Wat hier bij de chalets ook veel rondloopt is de Pukeko. De purper moeras hen, vrij vertaald). Ook een loopvogel met van die enorme poten, net als de Weka.